RASSTANDAARD VAN DE SIBERIAN HUSKY

          

Algemeen voorkomen :

De Siberian Husky is een middelgrote werkhond, snel en vlug op de voeten en vrij en elegant in de beweging. Zijn matig compacte en goed gehaarde lichaam, rechtop staande oren en goed behaarde staart wijzen op zijn noordelijke afkomst. Zijn karakteristieke gangen zijn soepel en schijnbaar moeiteloos. Hij verricht zijn oorspronkelijke taak in het harnas (tuig) met grote bekwaamheid, waarbij hij een lichte last met gematigde snelheid over grote afstanden trekt. Zijn lichaamsafmetingen en vorm geven dit essentiële evenwicht van kracht, snelheid en uithoudingsvermogen weer. De reuen bij de Siberian Husky zijn mannelijk, maar nooit grof; de teven zijn vrouwelijk zonder zwakheid te tonen. In goede conditie, met stevige en goed ontwikkelde spieren draagt de Siberian Husky geen overtollig gewicht.

             Maat / verhouding / gewicht :

Hoogte:          Reuen 53 tot 60 cm schofthoogte;
                        Teven 51 tot 56 cm schofhoogte.

Gewicht:         Reuen 21 tot 27 kg;
                        Teven 16 tot 23 kg.

Het gewicht is in verhouding tot de hoogte. De bovenstaande maten geven de uiterste hoogte- en gewichtslimieten aan, waarbij geen voorkeur wordt gegeven aan een van beide uitersten. Ieder blijk van overdadig bot en gewicht moet bestraft worden. Van opzij gezien moet de lengte van het lichaam van de schoudertop tot de achterkant van de croup iets langer zijn dan de hoogte van het lichaam, gemeten van de grond tot aan de bovenkant van de schoft.

                          Hoofd / expressie:

Ogen:
Amandelvormig, matig uit elkaar en iets schuin geplaatst. De ogen mogen bruin of blauw zijn; één van ieder der kleuren of ogen met beide kleuren zijn aanvaardbaar.

Oren:
Middelmatig groot, driehoekig en hoog op het hoofd geplaatst. Ze zijn dik en goed behaard, aan de achterzijde licht gewelfd, recht opstaand, met licht geronde punten, die recht naar boven wijzen.

Schedel:
De uitdrukking is alert, maar vriendelijk, geïnteresseerd en zelfs ondeugend. De schedel is matig groot en in verhouding tot het lichaam, iets gerond aan de bovenkant en geleidelijk smaller wordend van het breedste punt naar de ogen toe.

Stop: Er is een duidelijke stop en de neusrug is recht vanaf de stop tot aan de neuspunt.

Snuit:
Middelmatig lang: d.w.z. de afstand van de punt van de neus tot de stop is gelijk aan die van de stop tot aan de achterhoofdknobbel. De snuit is matig breed, geleidelijk smaller wordend naar de neus, die noch spits noch vierkant is.

Neus:
Zwart bij grijze, bruine of zwarte honden; leverkleurig bij koperkleurige honden;
kan vleeskleurig zijn bij zuiver witte honden. De rose-achtige “snownose” is aanvaardbaar.

Lippen:
Goed gepigmenteerd en nauw sluitend.

Gebit:
Schaargebit.

                Hals / bovenbelijning / lichaam:  

Hals:
Matig lang, gewelfd en fier rechtop gedragen wanneer de hond staat. Wanneer hij in draf beweegt, wordt de hals gestrekt, zodat het hoofd iets naar voren gedragen wordt.

Borst:
Diep en krachtig; maar niet te breed, met het laagste punt juist achter en op gelijke hoogte met de ellebogen. Ribben zijn goed gewelfd, maar opzij vlak verlopend om bewegingsvrijheid te verzekeren.

Rug:
De rug is recht en sterk met een rechte bovenbelijning van schoft tot croup. De rug is matig lang, noch kort en gedrongen, noch slap door te veel lengte. De lendenen zijn sterk en buigzaam, smaller dan de borstkas en de onderbelijning loopt licht op. Het kruis helt iets, maar nooit zo steil, dat de pasafwikkeling belemmerd wordt.

Staart:
De goed behaarde, op een vossenstaart lijkende staart is iets beneden het niveau van de ruglijn
aangezet en wordt gewoonlijk in een elegante boog boven de rug gedragen, wanneer de hond attent is. Wanneer de staart naar boven gedragen wordt, krult hij niet langs het lichaam, noch ligt hij vlak op de rug. Een hond die in rust is, kan de staart lager dragen. Het haar op de staart is matig lang en ongeveer even lang aan de bovenkant, de zijkanten en de onderkant, zodat de indruk van een ronde borstel ontstaat.

Voorhand:
Schouders:Het schouderblad is goed schuin gelegen. De opperarm maakt een lichte hoek naar achteren van boeggewricht naar elleboog en nooit loodrecht ten opzichte van de grond. De spieren en pezen van de schoudergordel zijn stevig en goed ontwikkeld.

Voorbenen:
In stand en van voren gezien, staan de benen op een matige afstand van elkaar, evenwijdig en recht, met de ellebogen tegen het lichaam aan, noch naar binnen noch naar buiten gedraaid. Van opzij gezien staan de middenvoeten wat schuin, met een sterk, maar buigzaam polsgewricht. Het bot is stevig, maar nooit zwaar. De lengte van het been van de elleboog tot aan de grond, is iets meer dan de afstand van de elleboog tot aan de schoft.

Voeten:
Ovaal, maar niet te lang. De voeten zijn matig groot, compact en goed behaard tussen de tenen en de voetzolen. De voetzolen zijn stevig, met dikke kussens. In stand staan de voeten noch naar binnen noch naar buiten gekeerd.

Achterhand:
In stand en van achteren gezien, staan de achterbenen op matige afstand evenwijdig van elkaar. Het achterbeen vertoont een goed gespierd en krachtig bovenbeen, met een goede kniehoeking en een duidelijke, laag aangezette hak. Hubertusklauwen, indien aanwezig, moeten verwijderd worden.

Vacht:
De vacht van de Siberian Husky is dubbel en matig lang en geeft de indruk van een goede pels, die echter nooit zo lang is dat de scherpe belijning van de hond verdwijnt. De ondervacht is zacht en dicht, en lang genoeg om de bovenvacht te steunen. De dekharen zijn recht, liggen enigszins vlak en zijn nooit ruw, noch recht van het lichaam afstaand. Ontbreken van de ondervacht gedurende de haarwisseling is toegestaan. Bijknippen van snorharen en de vacht tussen de tenen en rond de voeten om een netter uiterlijk te verkrijgen is toegestaan. Bijwerken van de vacht op iedere andere plaats van het lichaam is niet toegestaan en dient streng gestraft te worden.

Kleur:
Alle kleuren van zwart tot zuiver wit zijn geoorloofd. Uiteenlopende aftekeningen op het hoofd zijn gebruikelijk, met inbegrip van vele opvallende aftekeningen, die bij andere rassen niet gevonden worden.

Gangwerk:
Het karakteristieke gangwerk van de Siberian Husky is soepel en schijnbaar moeiteloos. Hij is snel en lichtvoetig en moet in de showring aan een losse lijn, in een matig snelle draf worden voorgebracht, waarbij hij goed uitgrijpend gangwerk voor en een goede stuwing vanuit de achterhand moet tonen. In stap toont de hond geen éénsporigheid. Bij toename van de snelheid neemt de neiging tot éénsporigheid toe, waarbij de benen niet gebogen worden. In draf blijft de ruglijn strak en horizontaal.

Karakter:
Het karakteristieke temperament van de Siberian Husky is vriendelijk en zacht, maar tevens levendig en alert. Hij heeft niet de bezitters-neigingen van de waakhond, noch is hij overmatig wantrouwend tegenover vreemden of agressief tegenover andere honden. Een volwassen hond kan een zekere waardigheid en gereserveerdheid tonen. Zijn intelligentie, hanteerbaarheid en gewilligheid maken hem tot een aangename kameraad en een goedwillende werker.